Twee herinneringen
Eén : Het moet ergens in de loop van mijn tweede academiejaar, ’81-’82, aan de VUB zijn geweest. Ik combineerde de tweede kandidatuur Moraalwetenschappen met een eerste kandidatuur Wijsbegeerte. Dat ik wat meer hooi op mijn (filosofische) vork had genomen, was te danken aan de man die mijn enthousiasme voor de filosofie gevoelig had doen toenemen: Leopold Flam (1912-1995). Die bewuste dag ontmoette ik hem toevallig in een ondergrondse parking van de universiteit. ‘Mijnheer Van den Bossche’, liet hij met zijn hoge, vaak gebiedende stem horen, ‘er zit een filosoof in u en ik houd eraan om u dat te zeggen’. Mijn enthousiasme kreeg een stevige boost, om het met een toen wellicht nog weinig of niet gebruikte term te zeggen.
Twee: Kort na nieuwjaar, tweede semester van wat toen nog eerste licentie heette. In de Koninklijke Bibliotheek deed ik onderzoek naar de Duitse Romantiek en de Sturm und Drang. Ik liep Flam, inmiddels met emeritaat, tegen het lijf en wou hem een gelukkig nieuwjaar wensen. Hij weigerde mij de hand te schudden en zei: ‘Mijnheer Van den Bossche u heeft mij verraden, u heeft Aurora verraden’. Aurora was de naam van de filosofische kring waarvan Flam oprichter en bezieler was en waar ik een al even enthousiast lid van was. Kort voordien had ik zelf een filosofische kring uit de grond gestampt, vooral met de bedoeling onderlinge communicatie tussen studenten te bevorderen. Ik herinner mij niet meer welke indruk zijn reactie toen op mij maakte. Het was wel mijn laatste ontmoeting met hem.
Of ik nadien zijn boeken nog ben blijven herlezen, weet ik ook al niet meer. In mijn bibliotheek heb ik er een vijftiental staan, wat wellicht niet de helft is van zijn hele ‘productie’. En toen wist ik nog niet van de dagboeken die hij onvermoeibaar volpende. Dankzij Kristien Hemmerechts zijn daarvan recent een verzamelbundel en een biografisch boek met dagboekcitaten gepubliceerd geworden, Ik zal alles verdragen, ook mezelf (red. Kristien Hemmerechts en Guido Van Wambeke) en En altijd is het de vrouw van Kristien Hemmerechts.
Mede door die dagboekpublicaties werd voor Leopold Flam op 1 december ll. een gedenkplaat onthuld in het Poolse Lublin (zie foto hierboven). Ze siert het inmiddels verbouwde huis waar Flam als kind van 1914 tot 1920 in bittere armoede leefde. Het Joodse gezin, dat na Lublin opnieuw naar Antwerpen trok, moest rondkomen van wat beide ouders binnenbrachten door te bedelen. Ze leefden in een kelder. Op een week tijd stierven twee jongere broertjes van honger in de armen van de zesjarige Leopold die alleen met hen thuis diende te blijven.
U begrijpt meteen waarom ik het in de titel van dit verhaal over een gekwetste existentie heb, overigens een titel die Flam zelf gaf aan één van zijn essays. Voeg daar nog twee keer een gevangenschap aan toe tijdens WOII, in de Mechelse Dossin-kazerne en in een Duits concentratiekamp, en de littekens van dit leven worden nog manifester. Flams denken kan ook alleen maar van daaruit begrepen worden, wat ik als student zeker niet wist.
Op z’n 15de moest Flam de school verlaten om te beginnen werken. Een opleiding als diamantslijper was niet meteen wat beantwoordde aan de verlangens en verwachtingen van de jonge Flam. Dat hij uiteindelijk toch nog geschiedenis ging studeren aan de Gentse universiteit en later hoogleraar filosofie werd aan de VUB, mag op z’n minst zeer opmerkelijk worden genoemd. ‘Flam, dat is rook, vuur, gensters, ondergronds gerommel, eeuwige onrust’. Dat zijn woorden van Louis-Paul Boon die door Erik Min worden geciteerd in zijn bijdrage aan een bundel opstellen over Flam, Ecce Philosophicus. Ziehier de filosoof die studenten kon enthousiasmeren, maar die evengoed vernietigend kon uitpakken. Cf. mijn twee herinneringen hierboven.
De enkeling
Vanaf het moment dat ik wist dat ik de VUB zou vertegenwoordigen op de herdenking in Lublin, waar ook Kristien Hemmerechts en Guido Van Wambeke aanwezig waren, ben ik de boeken van Flam die ik hier thuis heb staan, beginnen herlezen, vooral benieuwd naar wat me ooit zo enthousiast had gemaakt in zijn geschriften.
In Het innerlijk tehuis (1957) stelt Flam dat het volk waarvoor hij schrijft nog op komst is en dat ‘het vooral de denkende, roerige en strevende jeugd is’ die hij zoekt. Verderop laat hij wel horen dat die jeugd geen leeftijd heeft en dat hij ook in ‘bejaarden’ al die jeugd heeft ontmoet.
Met zijn schrijven wil hij een brug vinden. ‘Elk woord is een brug van mens tot mens’, luidt het nog in dat boek. Hier komt ook al een thema naar voor waar Flam doorheen zijn hele oeuvre, dagboeken inbegrepen, blijft op hameren: de eenzaamheid. In 1979 publiceerde hij een boek met die titel, maar meer dan twinig jaar eerder maakte hij in Het innerlijk tehuis al duidelijk: ‘Het gaat om de gedachte in de eerste plaats en daar elke gedachte een lichtpunt met een schaduw is, hebben wij dan deze dia- of pluralogen geschreven. Zij vormen één geheel en vloeien in elkaar over, eigenlijk behandelen ze één enkel thema: de eenzaamheid’.
Die eenzaamheid mag dan al een rode draad doorheen zijn oeuvre heten, het is tegelijkertijd ook een thema dat voor een haast pijnlijke spanning zorgt. Flam blijft een denken in woorden vatten dat in een innerlijk tehuis vorm krijgt, maar wil toch vanuit die bijwijlen solipsistisch aandoende denkattitude toch de brug slaan naar de ander. ‘Hoe geraken wij, denkende en zoekende mensen, uit de eenzaamheid, hoe vinden we een tehuis in de wereld waarin we helemaal onszelf kunnen zijn?’. De spanningsboog gaat dus van dat innerlijk tehuis naar een thuis in de wereld. Een hoofdstuk in dat boek uit 1957 kreeg zelfs de titel ‘In de eenzaamheid ontmoet ik de ander’ mee. De quasi onhaalbaarheid daarvan krijgt extra klemtoon in een volgende titel: ‘De enige belangrijke reis leidt naar onszelf’.
Filosofie blijkt voor Leopold Flam helemaal te draaien om het kunnen veiligstellen van de vrijheid als enkeling. God noch Meester dragen bij aan die vrijheidsdrang.
Het lijkt me toch wat problematisch dat die drang enkel bevrediging kan vinden in het eigen innerlijk. In De morele crisis van onze tijd (1958) heeft hij het over de toenemende onbehaaglijkheid die voorvloeit uit de angst waar de technische vooruitgang voor zorgt. De mens voelt zich dan onbehaaglijk omdat het individuele bestaan door die technische mallemolen lijkt bedreigd. En opnieuw is er de remedie van het zich innerlijk terugtrekken, want: ‘De vrijheid van de mens ligt hierin besloten, vrij is een mens immers wanneer hij zijn leven kiezen kan en hoe het ook gedetrmineerd moge wezen, hij kan kiezen voor zover hij zich bezint, nadenkt, voor zover hij een actief innerlijk leven leidt’. Filosofie is voor Leopold Flam ‘een bewuste explicatie van het eigen zijn’ en ‘de waarheid die de enkeling is, is een ont-dekking, waardoor hij zich aan zichzelf blootstelt’. Dat heeft ook een schaduwzijde, want de enkeling die zichzelf wil transcenderen kan dat niet zonder ook angst, vertwijfeling en wanhoop te ervaren. Maar eveneens: opstandigheid. Het denken van Flam is rebels, door en door. En die rebelsheid is een heikele opgave. Flam zegt naar een levensleer te willen wijzen voor hen die persoonlijk wensen te leven, ‘hoe verschrikkelijk het soms ook moge wezen’. De rebel lijkt het harde lot van een bestaan in de marge te moeten aanvaarden. Filosofie is dan per definitie onrust en die onrust is onlosmakelijk verknoopt met wat hij een voor altijd verloren gegaan geloof noemt.
En alsof hij de existentiële pijn nog wat scherper wil maken, blijft die schaduwzijde ook in het innerlijke zoeken manifest. De enkeling dient immers ook zichzelf met de nodige ironie te benaderen. Als de mens dan een geweten heeft, dan heet dat ‘ironie’. ‘Mensen zonder ironie zijn gewetenloos’. De ironische mens kent de eigen zwakke kant, maar ook de kracht. En dan mooi: ‘In de glimlach van de ironische blik ligt een zweem van droefheid’. ‘Wie zichzelf trouw is’, schrijft hij verder, ‘begint met aan zichzelf te twijfelen’. Die twijfel kan ook zelfvertwijfeling worden. De ironie draagt een dialectiek in zich: elke bevestiging kan negatie worden, liefde wordt haat, het goede slecht en de wijsheid verkeert in dwaasheid.
De rebelse enkeling die de filosoof dan is, aanvaardt die dubbelheid en een stevig scepticisme tegenover zichzelf. Maar ook dan ziet Flam zich dit op een hartstochtelijke wijze voltrekken. De zelfsceptische enkeling verricht alles met hart en ziel. De vraag dringt zich op hoe die enkeling dan een plaats geeft aan de ander.
De ander
In De morele crisis van deze tijd verwijst de hartstochtelijke filosoof/enkeling immers nadrukkelijk naar ‘de ander’. Dat klinkt zo: ‘Het eigen-zijn is het zijn met de anderen in een oneindig gesprek’ en ‘Verstaan is spreken met anderen’. In een iets later werk, Verleden en toekomst van de filosofie (1962), krijgt de ander nog explicieter een plaats. Filosofie blijft er omschreven als de bewustwording van de menselijke taak die bestaat in een oriëntering en een bewustwordig in het omgaan met existentiële problemen. Nadrukkelijk gebeurt dit altijd in gemeenschap met anderen. Flam heeft het hier over een verantwoordelijkheid ten opzichte van de anderen en stelt dat de door de enkeling beoogde vrijheid niet kan geabstraheerd worden van het sociaal zijn. Vrij onderzoek is ondenkbaar zonder sociale ontvoogding. Vrij denken omschrijft hij nog als opstand en protest tegen de belediging en vernedering van de mens. Dat gaat niet alleen over de enkeling op zich, maar altijd ook over die ander. ‘Filosofie is een denken dat een samen-denken, een samen-werken is, waar niemand uitgesloten is, waarin iedereen aanvaard is’.
Flam gebruikt hier in een poëtische omschrijving woorden die het hebben over ‘de onbolstering van de enkeling’ die zich bevrijdt van zijn kluisters ‘als de smeltende lente van het winterijs’. Het mogelijke verwijt van een zeker solipsisme krijgt hier weerwoord: ‘De zelfontmoeting kan niet tautologisch zijn, ze is alleen maar mogelijk in de andere. Alleen wanneer ik me plots in de ander ontdek, heb ik mezelf ontmoet en heb ik me op weg begeven naar de autonomie die niet in een wereld van verstijfde wezens staat, maar die zich verwezenlijkt door de autonomie van anderen’. Van daaruit kan hij vrij onderzoek dan ook omschrijven als ‘het gemeenschappelijke vrije zoeken naar de verwezenlijking van de onafhankelijke mens’.
Voor Leopold Flam komt de mens nadenkend tot zichzelf in de filosofie. Dat voltrekt hij steeds als enkeling, nooit als deel van een groep. De vragen die de filosoof stelt, komen voort uit zijn individueel zijn. Flam voegt hier echter expliciet aan toe dat die vragen op die manier zeker niet louter persoonlijk zijn, ‘ze hebben ook betrekking op andere mensen, daarom zijn ze filosofisch, anders waren ze een biecht of een dichtwerk’.
De filosoof stelt zich tot doel zoveel mogelijk mensen naar de zelfstandigheid te leiden en dit bovendien met de belangrijke kanttekening dat filosofie als algemeen verschijnsel enkel mogelijk is in een geïndividualiseerde maatschappij. Bovendien meent Flam dat die maatschappij zelfs de eigenlijke democratie zou zijn. Op het moment van schrijven, zag Flam hier echter weinig van aanwezig. Wel heeft hij het over een massamaatschappij waarin het die filosofie dan weer onmogelijk is algemeen te zijn. Ze heeft er enkel een plek als ‘individuele opstandigheid tegen de vernedering van de mens’. Steeds dreigt dan ook het verwijt van nutteloosheid van de filosofie in een maatschappij die haar fundamenten meent te kunnen vinden in wetenschap en techniek. Ruim zestig jaar geleden schreef Flam die lichtjes onheilspellende woorden. Ze geven alvast te denken, nu misschien nog meer dan toen.
Wat dan nog rest voor Flam komt niet meteen bemoedigend over. ‘Geen enkele maatschappij kan de onafhankelijkheid en uitzonderlijkheid van een enkeling goedkeuren, zij is op de nabootsing ingesteld en wenst derhalve volstrekte gehoorzaamheid van haar leden, zelfs zo die uit een bepaalde vrijheid bestaat.’ Dit doet me ergens denken aan die andere Joodse en Poolse vluchteling Zygmunt Bauman die de vrijheid van de mens als burger vervangen ziet door de mens als (louter) consument en de vrijheid die het individu daar wordt ‘aangepraat’. Ik vond in de boeken die ik recent herlas van Flam geen antwoord op de vraag die hier onvermijdelijk opduikt: hoe ziet hij dan concreet die omgang met de ander in wat voor hem dan de eigenlijke democratie zou zijn? Telkens opnieuw komt de ander daarentegen een bedreigende rol spelen. In Denken en existeren uit 1964 begint Flam bijvoorbeeld met een beschouwing over de vertwijfeling en de afzondering ten gevolge van de miskenning door anderen. Hoe hij die ander dan een positieve plek ziet innemen, lijkt me nergens duidelijk. Al zeker is dat bij uitstek manifest als hij het heeft over de vrouw.
De vrouw
En altijd is het de vrouw. Niet toevallig is dat de titel die Kristien Hemmerechts koos voor het levensverhaal met dagboekaantekeningen van Flam dat zij schreef. Noem Flams benadering van de vrouw best een schaduwzijde van zijn denken, hoezeer dat ook op het belang van ‘de ander’ lijkt te hameren.
Flams uitspraken over ‘de vrouw’ zijn zondermeer shockerend. Dat is zeker zo voor een hedendaagse lezer, maar ik vraag mij nu toch af of wij, mijn generatie studenten eind jaren ’70, begin jaren ’80 dit nooit hebben gezien. Ik herinner mij alvast geen gesprekken hierover. In Denken en existeren lees ik dat als een vrouw er niet in slaagt een man gelukkig te maken, zij dan als vrouw gefaald heeft. Zelfs in de lichamelijke liefde is het voor hem de taak van de vrouw de man plezier te geven. Haar eigen plezier is dan weer minder fysiek en wordt alleen maar groter met de mate waarin zij erin slaagt hem in vervoering te brengen. En dan nog straffer: ‘Indien ze gans voor zich zou willen zijn, dan heeft ze opgehouden vrouw te zijn, ze is dan gans gedegenereerd’. Tja… Moet het besluit hier dan luiden dat die rebelse en opstandige enkeling enkel mannelijk kan zijn? Ik vrees dat Flam dit inderdaad bedoelt. In Gestalten van de westerse subjectiviteit (1965) valt te lezen dat het eigenlijke menselijke erin bestaat zich te bevrijden van elke categorie of essentie en zo de enkelheid te verwezenlijken. Dat klinkt best goed. Maar dan: ‘De subjectiviteit is historisch geworden en ze dient gezien te worden als manwording (mijn cursivering, MVdB), als losrukking van de mythisch-vrouwelijke wereld…’. En verder: ‘De mytische wereld van de primitieve mens is extatisch-vrouwelijk. (…) De man heeft de individualiteit en de logos in de wereld gebracht’. Bovendien ziet hij de crisis van de burgerlijke subjectiviteit als gevolg van de toenemende overheersing van het vrouwelijke. Het is die tendens die dan ook nog eens heeft geleid tot de massamaatschappij, waarvan we intussen weten dat ze de denkende enkeling marginaliseert.
Het verbaasde mij dan ook niet in datzelfde boek over denken en existeren te lezen dat Flam het rationalisme van Descartes een actief, mannelijk karakter toeschrijft en dat het strijdvaardig, ondernemend en levenslustig is. ‘Rationalisme en opstand vormen één geheel’, voegt hij er verder nog aan toe. We hebben intussen gelukkig al een groot aantal feministische filosofen gekend die niet toevallig ook die masculiene rationaliteit van cartesiaanse origine als agressief en vrouwvijandig beschrijven. Natuurlijk was Flam een kind van zijn tijd en dat hij dit soort onzin kon opschrijven moet dan ook in die context worden gezien. We weten niet of en hoe zijn visie daarop zou veranderd zijn. Ik zou hem nu het boek Vrouwen in duistere tijden van Alicja Gescinska voor zijn nieuwjaar geven. (smiley!)
In De bezinning (1968) krijgen we nog mee dat hij vindt dat in het Nederlands taalgebied er ‘sedert Spinoza geen werk is verschenen dat zo oorspronkelijk en levendig was of is als het mijne’ en dat hij daar geen ogenblik aan twijfelt. In datzelfde werk schrijft hij dat ‘in een zeker opzicht de filosofie bij mij monologisch is geworden, juist omdat men mij het woord wil ontnemen, omdat ik uitgestoten ben’.
Moeten we het dan als een zelftroost zien als hij in De eenzaamheid (1979) schrijft dat het leven ‘aan de zelfkant, buiten de conventionele cultuur (…), zonder aan een algemene omwenteling te denken noch eraan te geloven, betekent voor de marginale enkeling de onmiddellijke verwerkelijking van het geluk’?
Slot
Ik besef dat mijn lectuur hier selectief is geweest en dat ik heel veel van Flams boeken niet vermeld heb. In een boek uit 1981, Protest tegen de catastrofale werkelijkheid, zegt hij echter zelf dat hij aanhoudend de reeds geschreven tekst blijft herschrijven. Die indruk kan ik alleen maar bevestigen bij mijn korte Flam revisited reis. Ik zie nog altijd dat enthousiasme dat me ooit als prille twintiger ‘pakte’. Ik – emeritus-hoogleraar inmiddels - ben blij te lezen dat de rebelse jeugd die hij wil aanspreken ook bij wat hij ‘bejaarden’ noemt kan manifest worden.
De recent gepubliceerde dagboeken maken veel duidelijk en zijn filosofie kan daar volgens mij niet los van worden gezien. Hij heeft die marginalisering daadwerkelijk en zeer pijnlijk moeten ervaren. Verder is het best mogelijk dat wat hij in zijn dagboeken schrijft over zijn niet rimpelloze huwelijk met Julia model stond voor wat hij over vrouwen in het algemeen meende te moeten schrijven. Dat neemt niet weg dat die uitspraken gedaan worden in filosofieboeken voor een publiek dat zijn privé situatie niet kende en daarom absoluut te veroordelen zijn. Mij maakten ze boos en niet goed wetend hoe ik dit kon plaatsen naast die vele inspirerende fragmenten die er hoe dan ook zijn.
Ik besluit toch maar met een wat langer citaat van de Meester die zich hier wellicht een tweede keer door mij zou verraden voelen.
Uit Protest tegen de castastrofale werkelijkheid:
‘Voortdurend en van langsom meer worden wij meegesleept door een maalstroom van zagemeel. Kleinigheden op kleinigheden, afzondering en ommuring van een inkrimpende geestelijke ruimte, samen met de snoeverij van de gearriveerden, van de vedetten, van de modeschrijvers en Nobelgeleerden. De duisternis bevangt ons en we storten in de ilinx, de fascinerende verbijstering van de ontdaanheid. We bevinden ons op het einde van de lange weg, ergens in een sukkelstraatje, met ledige handen. (…) Alleen de meelopers kunnen iets bereiken.’
Maar wat een tragisch leven is dat geweest, professor Flam.
%20copy%20(1).webp?withoutEnlargement&resize=58,29)
%20copy%20(1).webp?etag=null&sourceContentType=image%2Fwebp&ignoreAspectRatio&resize=230%2B116)
.jpeg?rotate=0)
%20copy.webp?etag=W%2F%22479c-19a0696bb48%22&sourceContentType=image%2Fwebp&ignoreAspectRatio&resize=229%2B115)