(Dit is het inleidende eerste hoofdstuk van mijn boek Wereldburgers dat ik hier als - hopelijk - smaakmaker publiceer.)
Niemand kent mijn naam. Ik zou deze zin in schuine letters moeten zetten. Of tussen aanhalingstekens. Het is de titel van een boek van de Amerikaanse auteur James Baldwin (1924-1987). Het boek verscheen in 1961 als Nobody Knows My Name. De Nederlandse vertaling ervan heb ik in juni 2020 nog online kunnen kopen in een Nederlands antiquariaat. Het zag er uit alsof het nooit als boek geleefd had: exact vijftig jaar oud en geen spoor, geen kreuk, geen vouw die er op wezen dat het ooit geopend was geweest. Een ongeopend boek over iemand wiens naam niemand kent.
In zijn Kritiek van de zwarte rede verwijst de Kameroenese filosoof Achille Mbembe (1957) in de eerste voetnoot bij het eerste hoofdstuk naar dit boek. Die voetnoot prikkelde mijn interesse. Mbembe plaatst die voetnoot achter een zin die treft als granaatscherven. Hij heeft het over altruïcide, de moord op de ander, over de weigering de Ander te zien als gelijke, maar wel als een dreigend object waartegen men zich dient te beschermen. Mbembe schrijft de Ander telkens met hoofdletter. Dat doet hij ook met het n-woord: de Neger. Hij wil een duidelijke taal hanteren. Over ras en racisme kan immers alleen maar worden gesproken in een taal die voor Mbembe onvermijdelijk tekortschiet. Hij noemt het ras nog een ‘oerbeeld’ en een pervers complex dat angsten en kwellingen oproept. En eindeloos lijden.
Mbembe gebruikt deze harde terminologie in de eerste jaren van het tweede decennium van onze eeuw. Ik lees ze op het moment dat de Black Lives Matter-beweging massa’s kan mobiliseren in de VS en in Europa na de politiemoord op George Floyd in Minneapolis eind mei 2020. Media laten in de daaropvolgende weken vaker dan gebruikelijk zwarte stemmen aan het woord. Een interview in De Morgen met journaliste en columniste Sabrine Ingabire is voor nogal wat opiniespuiers op sociale media de aanleiding om de gebruikelijke beerput open te leggen. De titel van het interview vertelde dat Ingabire niet met witte mannen wil daten. De nuance van haar verhaal ging zo al van in de titel verloren. Die nuance zou iets gezegd hebben over het ongeduld dat de tijd voordien bij meerdere auteurs te lezen viel. Over racisme willen ze niet meer in debat gaan.
Niemand kent mijn naam. In zijn bundel met die titel heeft James Baldwin het over een congres van Afrikaanse schrijvers en kunstenaars (Le Congrès des Ecrivains et Artistes Noirs), september 1956 in Parijs. Achter de tafel vooraan in de zaal zitten acht ‘grote namen’, waaronder Richard Wright, Leopold Senghor en Aimé Cesaire. De openingstoespraak komt van Alioune Diop, redacteur van Présence Africaine. Hij heeft het over de onderwerping aan Europa waar de daar aanwezigen mee te maken hebben, of ‘althans aan de Europese visie op de wereld’, laat hij horen. Ik citeer Baldwin die Diop citeert: ‘”De negers”, zei hij, “die door de geschiedenis op tamelijk hooghartige wijze behandeld zijn. Ik zou zelfs willen zeggen dat de geschiedenis de negers beslist kwaadaardig behandeld heeft, ware het niet dat deze Geschiedenis met een grote G uiteindelijk niets meer is dan de westerse interpretatie van het leven van de wereld”. Hij sprak over de gevarieerdheid van de culturen die het congres vertegenwoordigen en hij zei dat het echte culturen waren en dat de onwetendheid van het westen in dit opzicht grotendeels een kwestie van gemakzucht was’ (Baldwin 1970, 21). Een andere deelnemer aan het congres stelde volgens Baldwin nog dat ‘de hedendaagse crisis van de negerculturen teweeggebracht was door de negentiende- en twingste-eeuwse pogingen van Europa om hun cultuur aan andere culturen op te leggen’ (Baldwin 1970, 49). Baldwin beëindigt zijn verslag met een verwijzing naar Aimé Cesaire die het idee van een betrekkelijkheid van culturen bepleitte en dat dit idee een progressieve rol kan spelen. Het zou het immers voor de Fransen onmogelijk maken hun (toenmalige) aanwezigheid in Afrika te rechtvaardigen. ‘Wat alle negers verenigt, zijn de onrechten die zij ondergaan hebben door Europese handen’. Zo verwoordt Baldwin de conclusie van Césaire.
Deze woorden waren toen niet nieuw. Ze zijn intussen meer dan zes decennia oud. Ze blijven klinken. De n-naam wordt krachtdadig geweigerd inmiddels. George Floyds naam kent iedereen. Zijn naam mag voor mijn part de definitieve weigering van het debat over racisme symboliseren. Over wat zou nog moeten onderhandeld worden?
En waarom zou ik, oudere witte man, nog een boek moeten schrijven over dit debat dat er geen meer kan en mag zijn? Waar haal ik het recht vandaan vanuit een ongetwijfeld bevoorrechte positie het woord te nemen (te lijken te willen nemen) voor de velen wiens naam men niet kent en van wie het levensverhaal als een ongeopend boek achterblijft? Wel: ik wil voor niemand het woord nemen. Ik wil iets doen aan de gemakzucht waar Cesaire het in 1956 over had. De gemakzucht die boeken gesloten laat en namen onbekend. Het is de gemakzucht waaruit ik enkele jaren geleden opschrok toen ik dankzij nieuwe contacten op een congres in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein namen leerde kennen van auteurs die ik niet eerder gehoord had, laat staan gelezen of vermeld gezien in andere literatuur. Ik noem maar Walter Mignolo, Enrique Dussel, Gloria Anzaldua of Paulin Hountondji. Achille Mbembe begon wel enige bekendheid te krijgen. Ik mag beweren dat ik op meer dan pakweg vijfenveertig jaar, waarvan tweeëndertig jaar als academicus, zeer gretige leeservaring kan terugvallen. Waarom kende ik die namen niet? Waarom wist ik niet dat in Argentinië, Peru of Kameroen auteurs kritieken formuleren op de eurocentrische blik die ik enkel had beschreven gezien bij, nou ja, Europese auteurs? Wat scheelt er met onze canon dat mijn verbeelding nooit geprikkeld is geworden door deze ‘vreemde’ teksten? Ik ben deze auteurs beginnen lezen en herlezen. Dit boek getuigt van steeds meer geprikkelde nieuwgierigheid en de wens en de hoop manieren van denken te leren verstaan die weinig of geen plaats vinden in de vigerende westerse manier van betekenis- en zingeving aan onze wereld. Het was natuurlijk onvermijdelijk dat ik de hier besproken auteurs zou lezen vanuit mijn eigen voorverstaan, vanuit die jarenlange lectuur van boeken en auteurs die de westerse intellectuele geschiedschrijving stutten.
Dit boek gaat over een persoonlijke zoektocht die de pretentie heeft relevant te zijn voor vele mensen anno nu. We leven met vragen. We krijgen vele antwoorden. En vooral vele antwoorden die pretenderen de waarheid over iets te vertellen. Maar hoe weten we nog wat waar is?
%20copy%20(1).webp?withoutEnlargement&resize=58,29)
%20copy%20(1).webp?etag=null&sourceContentType=image%2Fwebp&ignoreAspectRatio&resize=230%2B116)
%20copy.webp?etag=W%2F%22479c-19a0696bb48%22&sourceContentType=image%2Fwebp&ignoreAspectRatio&resize=229%2B115)